
Voor Meursault staat geluk gelijk aan een routinematig bestaan dat vrij is van veranderingen. Hij ontmoet Marie, een vrouw op wie hij ooit verliefd was. De dag na de begrafenis begint hij met haar een relatie. Buurman Raymond Sintès, die ervan verdacht wordt een pooier te zijn, dringt zijn vriendschap aan Meursault op. Sintès heeft een maîtresse die hij met hulp van Meursault een vuile streek levert. Haar broer (een Arabier) zweert wraak. Wanneer Meursault, Masson (een vriend van Raymond Sintès) en Sintès op het strand het pad kruisen van de broer en diens vrienden ontstaat een vechtpartij. Een van de vrienden van de Arabier trekt een mes en verwondt Raymond. Zijn vrienden brengen hem naar hun strandhuisje en wanneer Meursault terugkeert met het pistool van Sintès, komt hij weer de Arabier, de broer van de maîtresse, tegen. Door de hitte van dat moment en een verdachte beweging van de ander trekt hij het pistool en vuurt op de man. Achteraf beschiet hij hem nog vier maal.
Het tweede deel van de roman behandelt de berechting van Meursault. In het proces lijkt niet zozeer de moord zelf centraal te staan (het betrof ‘slechts een Arabier’) maar de vraag of Meursault in staat is berouw te tonen. Het feit dat hij geen verdriet toonde bij het overlijden van zijn moeder en dat hij zo kort na de begrafenis een relatie begon, maken hem verdacht. Dat hem verweten wordt goddeloos te zijn raakt hem niet. Gedurende het hele proces voert hij niets aan ter verdediging. Uiteindelijk worden hem zijn gebrek aan berouw en schijnbare gevoelloosheid zwaar aangerekend: hij wordt ter dood veroordeeld.
In de dodencel krijgt Meursault bezoek van een aalmoezenier die hem tracht te bekeren. Meursault ontsteekt hierop in woede, waarna hij zich lijkt te verzoenen met zijn lot. Voor het eerst staat hij open voor de "tedere onverschilligheid van de wereld" en zijn dood zal het hoogtepunt worden van zijn absurde bestaan.